Vorige week zondag schreef Jan-Jaap van Peperstraten in zijn eerste Woord op Zondag over de tragische queeste van Jason Arday, de professor aan Cambridge University zichzelf als Icarus beschreef voordat hij zijn mythe daadwerkelijk te dicht bij de zon bracht. Hieronder volgt deel twee in wat een vierluik wordt. Het is niet noodzakelijk, maar misschien wel raadzaam om eerst deel 1 te lezen. Dat vindt u hier:
Arday: Great and Unfortunate Things
Er was eens een kind dat niets nuttigs kon leren. Zijn vader, een boze graaf, stuurt hem eropuit om kennis op te doen. Hij komt slechts terug met de kunde om de taal van de honden, de taal van de vogels en de taal van de kikkers te verstaan. Woedend geeft de graaf aan zijn dienaars de opdracht het kind te doden. Deze krijgen medelijden en doen het niet.
Op zijn verre reis ontdekt hij een schat omdat hij de taal van de honden verstaat. Een edelman adopteert hem als zijn zoon. Dan gaat hij naar Rome. Onderweg vertellen de kikkers hem dat hij tot Paus zal worden gekozen. Eenmaal in Rome nestelen duiven zich op zijn schouder. De kardinalen herkennen hem als een goddelijk aangewezen kandidaat en verkiezen hem tot paus. Achter het altaar viert hij de mis, terwijl de vogels hem influisteren hoe dat moet (want zelf weet hij dat natuurlijk niet). Het einde.
Zo gaat het sprookje De Drie Talen. Het staat in de sprookjesverzameling van de Gebroeders Grimm. Het verhaal heeft een aantal krachtige thema’s: het verworpen kind, wiens ‘waardeloze’ cognitieve vaardigheden eigenlijk een toegang zijn tot de bijstand door ‘magische helpers’, een schatvondst, en uiteindelijk erkenning. Het eindigt in zijn troonsbestijging als Paus. Hij kan natuurlijk geen woord Latijn lezen maar het sprookje loopt goed af omdat de magische helpers – de vogels – hem altijd blijven influisteren wat hij moet doen.
Ik moest aan dit sprookje denken toen ik de autobiografie van Jason Arday las. Een kind wordt verstoten door de experts maar leert in plaats van standaard-schoolkennis de talen van beweging, liefde, muziek en intuïtie. ‘Talen van het hart’, zeg maar. Door kennis van deze talen ontdekt hij allemaal schatten. Hij slaagt in zijn queestes en wordt erkend, uiteindelijk drukken de Electors van Cambridge hem een professorenbaret op het hoofd en plaatsen hem op een leerstoel.
Hij weet niet echt hoe hij professor moet zijn, maar dat maakt niet uit want ook nu blijven de vogeltjes fluiten. Tot de dag waarop ze dat niet meer doen. Dan verandert het mooie sprookje in een helse nachtmerrie. Arday heeft geen sprookje overgeschreven maar hij gebruikt wel degelijk sprookjesmotieven in het vertellen van zijn verhaal. De losse elementen komen misschien uit soapseries, liedjes, films of anekdotes maar de structuur van het verhaal is sprookjesachtig.
En: het is een goed verhaal. Het is meeslepend. Je leeft echt met de held mee als hij beproevingen ondergaat en steeds nieuwe queestes aangaat.
Vanaf de eerste zin is wel duidelijk dat je het boek niet als feitenrelaas moet lezen. Natuurlijk is een autobiografie altijd een vorm van fictie, maar in de proloog wordt dit genre al verlaten. Het geboorteverhaal van Jason Arday lanceert de hoofdpersoon al rechtstreeks naar het domein van de mythologie.
De moeilijke en wonderlijke bevalling wordt omkransd door de woorden van een wijze, exotische vroedvrouw die in zijn lange vingers een voorteken ziet van grootsheid ziet. Daarna een flash-forward met een andere exotische orakelvrouw die daarbij ook lijden voorspelt. Dit is waar de titel Great and Unfortunate Things naar verwijst. De mythische structuur is zó overduidelijk aanwezig dat het niet te missen is. (Behalve door de uitgever, dus). Het onweerstaanbare beeld van Jason als gewonde heler, dat wil zeggen: als sjamaan, wordt verder uitgewerkt in deel drie.
Verkiest u vrije, onafhankelijke media boven DPG of NPO? Neem een betaald abonnement op Nijmans Nieuwsbriefje en volg verschillende auteurs, podcasts en columnisten voor maar één prijs! Bijna dagelijks iets nieuws, voor maar een paar cent per dag. Abonneer nu via deze link of met de knop hieronder en maak vrije geluiden groter!
Arday is geen schurk, zijn verhaal is een tragedie
Ik las de biografie met stijgende verbazing en ben direct aantekeningen gaan maken. Het verhaal is een gemankeerd sprookje. Het is grotendeels een sprookje, maar in de wezenlijke structuur van de queeste zitten tegenstrijdigheden die zó groot zijn, dat het geen sprookje kan blijven. Het verhaal stort niet in vanwege een fact-check. Het verhaal stort in omdat wat Arday in zijn queeste zoekt, innerlijk tegenstrijdig is. Maar ik loop wat op de zaken vooruit:
Dat je je leven als sprookje vertelt, betekent niet dat je leven ook een sprookje wordt. Integendeel: de auteur heeft niet de uiteindelijke macht over het verhaal. Als je een genre uitzoekt om je leven in te beschrijven moet je je in je leven ook aan de wetten van het genre houden. Doorbreek je die wetten dan keert het verhaal zich tegen je. Het sprookje wordt een tragedie. De duiven vliegen weg. En daar zit je dan, op je troon, met een tiara op je hoofd, zonder nog te weten wat je moet doen.
Je kan de Zwitserse Garde wel bellen als iemand zegt dat er wat niet klopt, maar daarmee houd je de ontrafeling uiteindelijk niet op afstand. Het net sluit zich. Dat is de tweede reden waarom ik hem niet lees als schurk. Het verhaal van Jason Arday is een tragedie. En tragedies zijn tragisch juist omdat de held niet compleet boosaardig is. De ‘straf’ is groter dan de schuld, dát maakt het tragisch.
Ik wil nog eens extra benadrukken dat ik ervoor kies om Jason Arday niet in de eerste plaats te lezen als een bedrieger of oplichter, ook al heeft hij ontegenzeggelijk mensen bedrogen. Wanneer je in een rol stapt begint het verhaal ook jou te vertellen. Je wordt ook meegenomen door je eigen verhaal.
Vergelijk het met het verhaal van de Tovenaarsleerling. De leerling heeft zijn toverspreuk niet meer in de hand. De wetten van de magie maken nu zelf de dienst uit en sleuren alles met zich mee. (“Die ich rief, die Geister / Werd’ ich nun nicht los!”) Maar in tegenstelling tot het verhaal van de Tovenaarsleerling was er bij Arday geen Tovermeester die ingreep om de leerling te redden. De helpers gaven de tovenaarsleerling wel de toegang tot magie, en hem werd verteld dat hij prachtige trucjes deed! Meer! Meer! Encore! Maar een meester was er niet. En nu staan we tussen de brokstukken.
De Russische folklorist Vladimir Propp schreef in de jaren twintig van de twintigste eeuw het boek De Morfologie van het Toversprookje. Daarin stelt hij dat (Russische) sprookjes te beschrijven zijn in 31 verhaalfuncties. Niet elk sprookje heeft alle 31 functies maar elke functie moet wel in een vaste volgorde staan.
Zo moet je bijvoorbeeld eerst vertrokken zijn uit je veilige omgeving (functie 11) voor je een magische helper tegen kan komen die jou gaat toetsen (functie 12). Slaag je voor de toets (13) dan krijg je een magisch hulpmiddel (14). De volgorde maakt het sprookje.
De biografie van Arday is echter niet één heldenverhaal dat vertelt over één queeste. Het is een soort Russische pop. Elke afgeronde queeste roept weer een nieuwe queeste op. Zo gauw hij iets geleerd heeft, komt direct de uitdaging bij hem op om op te stijgen naar wéér een hoger niveau. De losse queestes zijn springstenen voor de ‘meta-queeste’: hoogleraar worden in Cambridge (maar daarbovenuit: erkenning krijgen voor wie hij is).
Voor het grootste deel van de biografie functioneert het verhaal als een sprookje in de zin dat het de door Propp beschreven structuren redelijk volgt. Waar de meta-queeste de structuur niet volgt, ontdekken we ook wat bijzonders: het laat ons zien waar het geheel vastloopt.
Je kan aan de hand van de verhaalfuncties van Propp de biografie van Arday als volgt beschrijven:
Professor zijn en professor schijnen
Als je de biografie leest als sprookje, zie je echter ook waar het als sprookje vastloopt. Om te beginnen zijn functies 27 (Erkenning) en 29 (Gedaanteverandering) regelmatig omgedraaid.
Maar wanneer Jason praat over zijn mooie schooluniform beschrijft hij dat als “a medal already received for valor.” Op zijn epilepsie-armband zet zijn vriendin Debs de naam “professor Arday”, lang voordat hij zelfs maar geslaagd is. Dat kun je lezen als profetisch voorteken, maar even goed als een te vroege gedaanteverandering.
Hij koopt nieuwe kleren voor zijn toekomstige carrière terwijl hij niet weet of hij een carrière gaat hebben na zijn promotietraject. Hij legt een (mythische, zelfs Bijbelse!) eed af om zich niet te scheren zolang hij niet gepromoveerd is, maar scheert zich op de ochtend van zijn examen. Hij verandert van gedaante – hij toont zich als ‘geslaagde’ – terwijl hij dat nog niet is.
Gezien de enorme mythische lading van de baardgelofte in combinatie met de plaats van de promotie als het Grote Werk is dit de centrale omkering in het boek. Schijnen en zijn staan in gespannen verhouding in zijn verhaal. Doctor zijn en doctor schijnen. Professor zijn, professor schijnen.
Over het zijn van doctor, van professor, lezen we haast niets. Het gaat geen moment over zijn proefschrift, waar dat over ging, wat hem aantrok in de onderzoeksvraag. Er is in het echt denk ik niemand die gepromoveerd is die niet uren kan praten over zijn proefschrift. Welke boeken hem inspireren, tot welke intellectuele traditie hij zich rekent, daar kom je niet achter. Zelfs maar hoe het is om college te geven. En ook dat is geen toeval, want het promotietraject en het hoogleraarschap gaan daar voor hem niet over. Hij zegt ergens zelfs dat zijn leessnelheid vaak rond een bladzijde per uur ligt. Het doel van de academie is voor hem niet onderzoek doen, of college geven. Het hoogleraarschap is zelf dus ook niet het hoogste ‘object’ wat hij nastreeft.
Het échte object is erkend worden door de hoogste instanties als iemand die er wezenlijk toe doet. De boodschap van het boek is dus tegenstrijdig. Arday zegt wel dat je diepste waarde van je leven altijd in jezelf ligt, maar de structuur van het verhaal spreekt die boodschap tegen. De structuur heeft een andere, impliciete boodschap: dat alles wat je bereikt enkel maar een stapsteen is naar de volgende uitdaging, en je moet steeds grotere queestes volbrengen om het eigenlijke object – Erkenning – te vinden. Je moet steeds grotere queestes volbrengen omdat je anders geen eigenwaarde voelt.
Glimpsen van de ondergang
Schijnen loopt dus niet zonder reden vooruit op zijn. Jason kan ten diepste niet voelen dat hij iemand is als hij geen erkenning krijgt als wonderbaarlijk persoon. Dat kan alleen maar slecht aflopen, want geen enkele erkenning kan een zijnscrisis oplossen. Het object van de queeste is niet eens onwaarschijnlijk, of zelfs maar onmogelijk. Het object (iemand worden door erkenning te krijgen) is innerlijk tegenstrijdig.
Dat is de breuk in de zoektocht naar het object: onoplosbare innerlijke spanning die het verhaal in een tragedie gaat veranderen. Door het verhaal heen zien we ook omineuze voortekens – het gebroken champagneglas, de ontmoeting met de ontslagen professor Alan, de echtscheiding, de tuin die overspoeld wordt met rioolwater (een onweerstaanbare scène voor een psychoanalytische lezing!), het beeld van Icarus die voorbij vliegt. Ze zijn niet dominant aanwezig, maar ze zijn er wel, als glimpsen van de ondergang, van de onderwereld.
Door de biografie heen zie je steeds meer barsten. De verhalen zijn fantastisch en ongeloofwaardig. Maar meer dan dat zie je hem hoofdstuk na hoofdstuk langzaamaan bezwijken onder de opdrachten die hij zichzelf oplegt. Dat is nóg een breuk in de sprookjesstructuur. Hij deelt queestes uit aan zichzelf (als opdrachtgever) en voor zichzelf (als begunstigde). De queestes worden steeds groter, en hij ‘slaagt’ er nog in ook.
Ook hier breekt het sprookje en wordt het eerder een verhaal over een magisch neoliberaal subject dat uit pure wil zichzelf definieert tot wat eerder niet was. (Zijn refrein ‘will supersedes skill’ leest met terugwerkende kracht ook behoorlijk omineus). Dat een boodschap van zelfredzaamheid, zelfdefinitie en zelfoverwinning goed valt bij neoliberale instanties als overheden en universiteiten mag duidelijk zijn. We zullen hier in deel drie nader over spreken. De sjamaan is het ultieme neoliberale subject. Door iedereen te betoveren met zijn boodschap van magische persoonlijke verandering kan namelijk alles verder hetzelfde blijven.
Hoe dan ook: verhaaltechnisch zien we een sprookje dat zichzelf ontmantelt in zowel de structuur van het subject – de queestende held maakt langzamerhand zichzelf tot opdrachtgever en begunstigde – én in de structuur van het object. Want het object van de queeste is niet de eer van de leerstoel, maar iets wat geen enkel eerbetoon kan geven: de overtuiging dat je mag zijn wie je bent, dat je een vaste identiteit hebt. De as van verlangen staat scheef. Het op hol geslagen subject verliest zich in de queeste naar het innerlijk tegenstrijdige object.
Het moet wel slecht aflopen, want niets kan zijn innerlijke onzekerheid delgen. De ‘vloek’ of het gebrek dat hij in de mond van de artsen legt: ‘er zit niemand in dit kind’ lijkt ten diepste zijn eigen schaduw, zijn eigen angst te zijn. Elke nieuwe queeste moet opnieuw bewijzen dat hij wel iemand is, dat hij echt bestaat. Dat maakt het boek ook zo onrustig en koortsachtig geschreven: één van de vele mythische thema’s die steeds terugkomt is een verbod op rust. De held mag niet rusten tot de queeste is voltooid. Maar in combinatie met een steeds escalerende meta-queeste ontstaat er iets verschrikkelijks en onmenselijks. De held wordt verslonden door zijn eigen verhaal. Je ziet het gebeuren.
Het sprookje van Jason Arday moest ontploffen
Er is tenslotte nog een laatste breuk in het verhaal, in hoofdstuk 30, waarin hij zijn instorting vóór de benoeming in Cambridge beschrijft. Hij schrijft daarin ook over gedachten aan zelfdoding. Het is een duistere profetische passage. Toch eindigt het hoopvol: na een wederom mythische ontmoeting met een vogeltje eindigt het met de boodschap dat je gewoon mag zijn wie je bent, ook al slaag je misschien niet altijd in je queestes.
Maar toen besloot de Board of Electors van Cambridge om het sprookje mee te geloven en hem de begeerde leerstoel toe te kennen. Díe plek van triomf wordt dus drie jaar later de plek van zijn ondergang. Het sprookje blijkt een tragedie. Niet omdat Arday oneerlijk was, er is wel meer oneerlijkheid te vinden in de wereld, maar omdat wat hij scheen te zijn, geen werkelijke relatie meer had met wie hij echt was.
Het plagiaat in zijn proefschrift, het fabulisme, de onmogelijke (verzonnen?) onderzoeksdata zijn geen losse delicten maar zijn samen deel van zijn steeds wanhopigere poging om zich als iemand te definiëren.
(Ik blijf erbij dat plagiaat, hoe verwerpelijk het ook is, vaak voortkomt uit pijnlijke onmacht. De autobiografie is geen betrouwbare bron over zijn feitelijke leven, maar als hij schrijft dat hij nauwelijks begeleiding kreeg tijdens zijn promotietraject, dan geloof ik dat direct. In deel vier zal ik uitleggen waarom dit ook deels verklaart hoe hij toch heeft kunnen promoveren.)
Ik las hoofdstuk 30 na zijn val en verwachtte toen dat hij de klap te boven zou komen. Ook ik wilde dat verhaal geloven. Ik was te optimistisch. Zo blijkt maar weer, ook een gediplomeerde verhalenkenner met analytische blik kan zich makkelijk laten meeslepen door een mooie boodschap. Ik ben priester en theoloog. Ik wil dus graag geloven in een goede afloop. Soms tegen mijn betere weten in. Dat is weer deel van míjn verhaal.
Het sprookje van Jason Arday moest ontploffen. Het is dwaas om journalisten en klokkenluiders ‘de schuld’ te geven van de boze afloop. De onontkoombaarheid van de tragedie ligt al besloten in de biografie zelf, in hoe hij zichzelf presenteerde in weerwil van de werkelijkheid.
Toen de ontmaskering plaatsvond was het voorbij. Voor Arday was het niet meer mogelijk om zijn identiteit vast te houden. De publieke ontmaskering functioneert dan als de peripeteia, de tragische omslag. De magische vogels zijn gevlogen. De paus blijkt de mis niet te kunnen vieren. De tegenstanders vergaren zich voor de poort van de Sint-Pieter en eisen antwoorden. De Zwitserse Gardisten (faculteit, universiteit, advocaten, zelfs de politie) doen hun uiterste best om hen het zwijgen op te leggen en delen rake klappen uit. En met succes! Maand na maand worden de tegenstanders van het Sint-Pietersplein afgeranseld. Maar elke keer komen ze terug, met nieuwe vragen. De tragische cirkel is gesloten. Niks kan de paus nog redden.
Mensen die hun leven beëindigen zetten die wanhopige stap soms omdat ze geen betekenis meer zien, geen zin meer zien in hun leven. Het verlies van zijn imago lijkt voor hem ook het einde van zijn zelfbeeld te zijn geweest. Hij lijkt zich, als ik de biografie goed gelezen heb, uiteindelijk niemand meer te hebben gevoeld. Vanaf dit punt kunnen we slechts met diep medelijden naar die pijn en dat verdriet kijken.
Wat was er gebeurd als de toverlantaarn eerder was uitgeblazen? Was dit alles te voorkomen geweest? Die vraag is onbeantwoordbaar. We kunnen niet weten wanneer de tragische cirkel zich sloot. In Liverpool, bij zijn promotie? In Durham? In Glasgow? In Cambridge? We kunnen de film niet terugspoelen en dan besluiten op dit of dat punt een andere afslag te nemen. We kunnen het leven slechts zien zoals het geleefd is.
Als we de verhaalstructuur als leidraad nemen denk ik dat de cirkel zich in Liverpool al sloot. Hij is daar weggekomen met zeer uitgebreid plagiaat. Ik heb het Turnitin-rapport bekeken en het is echt ernstig. De les dat je met zoiets kan wegkomen kan, en misschien nog wel met meer, is een hele gevaarlijke les.
Maar waar de cirkel zich ook sloot, we kunnen onze blik niet zomaar afwenden. Tragedies zijn immers zowel verschrikkelijk als fascinerend. Ze houden onze blik vast, hoe graag we ook wilden dat dat anders was. Uiteindelijk kunnen we er ook wat uit leren, maar op dit moment staan we nog in ontzetting tussen de brokstukken.
In deel drie ga ik zoals gezegd er verder op in hoe de zelfpresentatie van Arday als sprookjesheld zo grif werd geloofd en waarom de zeer deficiënte kwaliteit van zijn werk, alsmede zijn patroon van bedrog, niet werden herkend. Zelfs de spelfout in de titel van zijn proefschrift – zelf weer ontleend aan wéér een andere publicatie – werd niet opgemerkt.
Waarom zijn sprookjeshelden onweerstaanbaar?
Technisch postscript: Propp en Greimas
De lezer zal doorhebben dat ik niet enkel van Vladimir Propps morfologie gebruikmaak. Propp biedt een toegankelijk maar vrij grof middel om te laten zien hoe het sprookje (niet) functioneert. Ik heb ook een meer uitgebreide analyse gemaakt, op basis van het actantenmodel van A.J. Greimas. Ik hoop dat de lezer het mij vergeeft dat ik die nogal technische analyse van Arday’s autobiografie niet in detail reproduceer. Propp laat zien dat iets niet functioneert. Greimas geeft ons inzicht in waarom het niet functioneert. De ‘as van het verlangen’ staat uit het lood:
De sprookjesheld raakt gevangen in een eindeloze loop van queestes die een einddoel hebben dat innerlijk tegenstrijdig is. Dat proces is niet vol te houden en maakt het sprookje instabiel. De onmacht van de held om uit de kring te stappen, de onmacht om iemand te zijn zonder een belangrijk persoon te lijken, doet het omslaan in een tragedie. De begaafde tovenaarsleerling verandert in een tragische hoofdpersoon die niet meer aan zijn ondergang kan ontsnappen. Er was geen tovermeester in zijn leven die hem bij de hand heeft willen of kunnen nemen.
Verkiest u vrije, onafhankelijke media boven DPG of NPO? Neem een betaald abonnement op Nijmans Nieuwsbriefje en volg verschillende auteurs, podcasts en columnisten voor maar één prijs! Bijna dagelijks iets nieuws, voor maar een paar cent per dag. Abonneer nu via deze link of met de knop hieronder en maak vrije geluiden groter!
Het collectebakje om de missie van NN mogelijk te maken staat daar.
Steun de missie: hou NN vrij en onafhankelijk
Nijmans Nieuwsbriefje is volledig onafhankelijk van uitgeverijen of bemoeienis van bovenaf en bestaat zonder reclames of subsidies, louter op basis van lezers en donateurs. Ik wil dat NN zowel onafhankelijkheid van geest als de vrijheid van meningsuiting hoger in het vaandel voert dan een vaste politieke positie of ideologische kleur.








