Eén ingezonden brief in een nationaal dagblad ben ik nooit vergeten. De oude dame (althans, ik vermoed dat ze oud was) verwonderde zich erover dat “zoveel mensen tegenwoordig hun lichaam als kladblok gebruiken.” Ik heb zelden een formulering gelezen die zo to the point was. Het eigen lijf als kladblok. Inderdaad. Nu de overgrote meerderheid van de mensen er vanwege de zomerwarmte halfnaakt bijloopt, valt het helemaal op. Armen, benen, handen, buik, borst, rug, nek en zelfs gezicht zitten onder de tattoos.
Nog niet eens zo heel lang geleden waren het vooral inheemse stammen in afgelegen gebieden als oerwoud of woestijn die uitbundig versierd waren met tattoeages. Zo was duidelijk wie tot de stam behoorde en wie niet. Het was een soort paspoort in inkt. Onnodig, eigenlijk, want iedereen wist toch wel wie je was.
Dus hadden (hebben) de tattoos misschien wel een heel andere, tegengestelde functie: weglopen en je aansluiten bij een andere stam wordt vrijwel onmogelijk gemaakt door tattoos. Inburgeren bij stam B met de tattoos van stam A gaat niet lukken. Taal kun je aanpassen, kleding kun je aanpassen, gewoontes kun je aanpassen, je kunt van goden veranderen, maar van een stam-dessin op lichaam en hoofd kom je nooit meer af. Je blijft herkenbaar als Pietje-die-bij-de-Pietjes-hoort-en-niet-bij-ons.
Nog niet zo lang geleden waren tattoos ordinair. Vond de middenklasse en ‘hoger’. Het klootjesvolk dacht er anders over. Scheepsvolk en soldaten waren er ook op gesteld, want zij – dood en nog niet begraven - waren herkenbaar aan hun tattoos. Maar als men al een tattoeage had, zat die op arm of torso (of onzichtbaar op de bil). Een ankertje, een vredesduifje of een liefdesverklaring aan Marie. Een zogeheten sleeve was voor de driestere types onder het ‘gewone volk’.
Goed gevulde voetballers
Dat voetballers wereldwijd de trend hebben gezet, vermoedde ik wel, maar het onvolprezen ChatGPT vertelt hoe het zit. David Beckham, de Engelse sterspeler met het ongelukkige familieleven, een vrouw die alleen sla eet en met beha’s en strings succesvol zakenvrouw is, was de eerste. Hij begon met de naam van zijn eerstgeborene boven zijn bilnaad te laten plaatsen, in 1999, en vervolgde met een beschermengel op zijn rug.
Marco Materazzi, de Inter Milan-speler, liet twee engelenvleugels plaatsen. De engelenvleugels op de achterkant van de Franse voetballer Djibril Cissé zijn nog groter. Maar de rage ging helemaal los nadat Daniel Agger een Viking-kerkhof liet tatoeëren, plus de Latijnse spreuk ‘De dood is zeker, maar het uur is onzeker’. (Een spreuk naar mijn hart, want het is een van de grootste zegeningen dat we niet weten wanneer we doodgaan). Kladboek of niet, ook ‘Memento mori’ - Gedenk dat je zult sterven’ kreeg een plek op het lijf van Agger.
Van andere voetbalvedettes noemt ChatGPT nog Raul Meireles (draak), Lionel Messi (o.a. portretten van zijn moeder en Jezus), Zlatan Ibrahimovic (leeuw, draak, koi-karpers), Neymar (‘Alles gaat voorbij’), Memphis Depay (hele rug vol met een draak) en de Braziliaanse keeper Ederson Santana de Moraes (die zit helemaal onder, inclusief in zijn gezicht).
Dat voetballers vaak diep religieus zijn, is geen verrassing, maar dat een flink aantal de inzichten van filosofen willen vereeuwigen als persoonlijk statement is dat wel. Overigens, de laatste twintig jaar zijn er geen voetballers die zonder tattoos door het leven gaan. Met andere sportlieden zal dat niet anders zijn.
Voor wie zijn die onleesbare boodschappen?
Een draak, koi-karpers en Latijnse spreuken zijn tenminste herkenbaar, maar ik zit vaak te staren (mag niet, maar ik kan het niet laten) naar de tattoeages om me heen en kan er geen knobelischwurst van maken. Hartjes, doodshoofden, namen, zwaarden, klokken, slangen, adelaars, een kruis, een omega – dat alles ken ik. Maar het komt vaak voor dat ik geen idee heb wat iemand op het lichaam heeft laten kalken.
In een Italiaanse lokale bus stond een bloedmooie zwarte jongeman. In één oorlel zat een enorm gat van drie centimeter lengte, waarin een oorring hing. Dat was al opmerkelijk. Maar op zijn gezicht was van alles geschreven dat waarschijnlijk alleen het al even mooie vriendinnetje kon lezen. Voor wie zijn die onleesbare boodschappen?
Voetbalnummers geven uiting aan een onverwoestbare loyaliteit met de club. Vlaggen aan de liefde voor een land. Paul McCartney, Jim Morisson, Bob Marley, Ella Fitzgerald, Sting, John Lennon – I get it. Maar al die andere troep. Al dat andere geklieder? Is de moderne mens zo ontworteld dat hij / zij pas het gevoel heeft ergens bij te horen als hij / zij een zooi plakplaatjes in de huid laat etsen? En denken de tattoo-aficionados er wel eens over na hoe dat alles eruit zal zien als ze bejaard zijn en hangarmen, gerimpelde borstkastjes, uitgezakte billen en kalkoenennekken hebben?!
‘Zijn jullie een motorbende?’
Een paar jaar geleden liep ik na afloop van een crematie de koffiezaal uit. Op de enorme binnenplaats van het crematorium hadden zich de leden van een motorclub verzameld. Ook een bevolkingsgroep met tattoos. Ze waren zeker met honderd, en hadden hun verpletterend mooie motoren bij zich. De dochter van de voorzitter was overleden en ze kwamen haar en haar familie eer bewijzen. Dat deden ze door hun motoren te laten ronken en kleurpijlen af te schieten, en een en ander af te sluiten met een defilé.
Het was absoluut indrukwekkend. ‘Zijn jullie een motorbende’, vroeg ik plompverloren, want zo zagen ze eruit. Nee, dat waren ze niet. (Wat voor antwoord had ik verwacht?). Ik wilde alles van hun motoren weten. Onder andere de prijs: €40.000, €60.000 en ook wel €80.000. ‘Als je moest kiezen tussen jouw motor en jouw vrouw, wat zou je dan kiezen?’ ‘Mijn motor’. (Wat voor antwoord had ik verwacht?).
‘Kun je wel een baan vinden met zo’n hoofd vol tattoos?’ De dertiger die ik ernaar vroeg had zijn hele kop laten tattoeëren. ‘Normaliter wel, maar nu heb ik even geen werk’, was zijn eerlijke antwoord. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar hij leek me verlegen en ontzettend aardig. Gewoon een goeie jongen, met een beetje een afwijking (in mijn ogen).
Tatoeages en graffiti zie ik als eenzelfde soort verschijnselen. De een gebruikt het lichaam als canvas, de ander de openbare ruimte. Maar waar tattoos mooi kunnen zijn, is graffiti dat echt nooit. En nog minder begrijpelijk dan tattoos. De kop van de moordenaar-executeur, antisemiet en verkrachter Che Guevara kom je helaas overal tegen. Tot mijn verdriet is Che zo fotogeniek dat zijn beeltenis helaas niet lelijk genoemd kan worden.
Maar al die andere logo’s, mislukte kunstwerken, gemankeerde spreuken, wat moet een mens ermee. Treinen, viaducten, stations, bruggen, muren, deuren, poorten, scholen, hekwerken, reclameborden, bloemenkiosken – alles is vol gekalkt. Neem een trein naar een willekeurige plaats en je wordt getrakteerd op een eindeloze stroom graffiti. Tientallen kilometers buitenruimte zijn lelijk gemaakt.
Wat ontbreekt is ook iedere esprit of humor. Nooit word je verrast met een leus als ‘Alle konijnen dood’. Of, ‘Moeder Teresa, help mij (niet)’. Of, van mijn part, ‘Ik ben gelukkig’. Of (Reve): ‘Nieuwe schoenen: ze doen alleen pijn als je ze aan hebt’. Wat er wel staat zijn de uitgekauwde slogans van linkse losers: ‘Weg met het kapitalisme’. Of, ‘Alle macht aan de kameraden’. Wel, ‘Weg met het racisme’, maar nooit met het behulpzame: ‘zegt de racist’. Zo’n toevoeging zou nog van enige zelfreflectie bij de graffiti-spuiter getuigen.
Wie zijn dat trouwens, de graffiteurs? Wie kent ze? Wat drijft ze? Wie verkoopt ze hun spuitbussen? Waarom worden ze nooit voor vandalisme opgepakt? Wie denken ze te bereiken? Wat willen ze überhaupt bereiken? Zijn het tieners die behoefte hebben aan een rite de passage? Jongens die zich moeten bewijzen? Meisjes die zich moeten bewijzen?
Uiting van autonomie - en hondenpies
Ze moeten wel sterk en jong zijn, want ze laten hun sporen achter op plekken die vaak halsbrekende toeren vereisen om er te komen. Verliest er wel eens een zijn leven, door van een brug af te vallen of voor een trein te belanden of per ongeluk te worden geëlektrocuteerd? En zo ja, waarom horen we daar dan niets van?
Voor mij zijn de graffiti-vandalen als honden die overal hun pies achterlaten om een territorium af te bakenen. Dat territorium wordt alleen door andere honden herkend. De graffiti-vandalen piesen met verf. In plaats van een hondenlul hebben ze een spuitbus. Alleen anderen die zich aan dezelfde uitingsvormen schuldig maken, herkennen wiens territorium van wie is.
Maar wat hebben ze daaraan? Zijn er vrouwen te ‘verdelen’? Zijn ze aan het oefenen voor het afbakenen van een territorium in de maatschappij, omdat ze ondanks de anarchistenbravoure wel degelijk CEO willen worden? En, houden ze er net als andere jonge criminelen mee op als ze trouwen en kinderen krijgen? En/of een huis met een hypotheek, een baan, een auto of een e-bike?
Bij tattoos snap ik dat je jouw persoonlijkheid wat schwung wilt geven, maar de graffiti-vandaal is per definitie anoniem. Voor mij. Voor iedere andere reiziger. Het is een uiting van individualisme en autonomie, maar - ik kan het niet anders zien – individualisme en autonomie op niets aan.
Daarmee zijn zowel tattoos als graffiti wat mij betreft tekenen van een beschaving die zijn historische, religieuze, ethische verworteling kwijt is. Wie je bent zit op de huid gekerft, wie je zegt te zijn is gespoten op het oppervlak van de buitenruimte. Jezus is een plakplaatje geworden, zoals Boeddha een tuinkabouter.
Het stelt allemaal niks (meer) voor, maar het niks is overal.
Wilt u Nijmans Nieuwsbriefje helpen groeien zonder doorlopend abonnement? Een vrijblijvende donatie is ook welkom!




